Turf in Groningen

De oudste beschrijving van turf is van Plinius de Oude, een Romeinse geleerde, schrijver en bestuurder. Hij nam deel aan veldtochten in Germanië. Zijn “Naturalis Historia” is uit het jaar 77. Hij beschreef hierin zijn belevenissen.

In het land van de Chauken ( Groningen en Friesland), zo schreef hij, daar was land waar bij elk getij de oceaan in een geweldige stroom zich over het land stortte. Een armzalig volk woonde er op zelf opgeworpen hoogten. Van riet en biezen maakten zij een soort touw, waarvan zij visnetten knoopten. Aardkluiten, die zij met hun handen uitstaken, lieten zij meer nog in de wind dan in de zon drogen en staken deze in brand om hun eten te koken en zich te warmen.

Je kan stellen dat er geen veengronden voorkwamen langs de waddenzee, op de Hoge Veluwe, Zeeland en het smalle gedeelte van Limburg. Maar verder was in heel Nederland hoogveen of laagveen te vinden.

Hoogveen lag boven de grondwaterspiegel en laagveen beneden.

De Veenkoloniën in oost-groningen, waar dit verhaal hoofdzakelijk over gaat, waren wel de bekendste veengebieden; zelfs wereldbekend.

In de middeleeuwen was het noorden van ons land dun bevolkt gebied. Langs de zee leefden de Friezen en in Drenthe lagen her en der kleine dorpjes van soms maar een paar boerderijen. Van die dorpjes was Groningen het noordelijkst. De Friezen woonden op terpen, vaak eilandjes en waren gewend zich per boot te vervoeren. Landbouwproducten konden niet voldoende verbouwd worden. Maar veeteelt ging prima, dus was er vlees, zuivel en natuurlijk vis in overvloed. In Drenthe was het omgekeerde het geval. Hier had men voldoende landbouwproducten. En zo ontstond in Groningen een seizoenshandel tussen de Friezen en Drenten, die hun waren hier kochten en verkochten, Het riviertje de Drentse Aa zorgde voor het vervoer. En kooplieden vestigden zich in Groningen langs deze rivier. In de 8e en 9e eeuw breidden de Friezen hun handel uit doordat ze ook voor anderen gingen vervoeren. Zo kregen zij een handelsgebied in handen tussen Franken, Angelsaksen en Noord Europa. Groningen lag voor de handelsroute over het Wad gunstig. Groningen had toen al het recht om munten te slaan en tol te heffen. Deze munten zijn gevonden in Winsum, Garrelsweer en steden langs de Oostzee en het Noordzeegebied, zodat we kunnen nagaan met welke gebieden handel werd gedreven.

Het boerendorp Groningen met zijn kooplieden langs de Drenthse Aa en de oude Koningshof werd een rijke stad. Van de Engelse Koning ontvingen Groninger kooplieden in 1258 het geleiderecht, wat betekende dat ze vrij konden handelen in Engeland. Er werd handel gedreven met Londen, Bristol, maar ook Hamburg en Bremen, waar Groninger kooplieden zich vestigden.

Ook ontstond handel vanuit Winsum, Garrelsweer en Appingedam en het klooster in Aduard.

In de 13e eeuw werden Groninger kooplieden lid van de Duitse Hanze.

Na 1300 begon de handel wat af te nemen, door opkomst van de lakenhandel in Vlaanderen en opkomst van Westfaalse steden, havens aan de Oostzee. De Rijnhandel op Keulen verdween. Handel op Engeland werd sporadisch, maar handel met Noordwest Duitsland bleef.

Voor de kust waren bendes zeerovers bezig. Genaamd de Likedeelers of Vitaliebroeders. De Groninger kooplieden trokken voor de veiligheid zoveel mogelijk met elkaar op, zodat er organisaties ontstonden die in vreemde havens handel dreven. In Groningen heetten deze verenigingen naar Duitse leest Henzen of Hanzen.

Er waren er 4; de Colnse ( handel op Keulen)
De Uterse ( handel op Utrecht/Vlaanderen)
De Riperse (handel op Sleeswijk/Denemarken en Oostzee)
De Herbere Henze ( handel op Herbrum aan de Eems in Oost-

Friesland.

Groningen lag gunstig; op het noordelijke uiteinde van de hondsrug, waarover de weg lag vanuit het zuiden. Twee riviertjes n.l. de Hunze langs het oosten en de Drenthse Aa langs het westen, die gecombineerd naar de zee liepen. Zowel klei als zandgrond rondom en rijke kooplieden als inwoner.

Deze kooplieden hadden zich het stapelrecht toegeëigend. Dit betekende zoveel dat alle producten en goederen uit de Ommelanden pas vrij verkocht mochten worden als ze eerst op de Groninger markt waren aangeboden. Vreemde kooplieden mochten niet buiten Groningen om handel voeren in de Ommelanden.

De Groninger kooplieden wilden de bevolking van het platteland aan de stad binden, wilden de stad als enigste verkoopplaats van producten en goederen, wilden voorkomen dat andere dorpen uitgroeiden.

Na 1400 mochten Groninger kooplieden de Ommelanden intrekken om daar producten te kopen.

De handel over ver nam af, maar de handel in Stad bloeide als nooit tevoren. De stad werd stapelplaats en distributiecentrum. Eén van die stapelwaren was turf.

Het stapelrecht werd ook oorzaak van vele conflicten tussen Stad en Ommelanden, want goed beschouwd had Stad niks te zeggen in omliggende dorpen. Groningen heeft als enigste stad in Nederland de benaming de Stad of Stad. En dat omdat Groningen de touwtjes in handen wilde houden van de gebieden om haar heen. Stad en Lande. Groningen was kolonisator, kapitalistisch en imperialistisch.

Alleen Appingedam kon redelijk zelfstandig blijven en een eigen markt opbouwen. Zij waren door hun ligging meer georiënteerd op Emden, omdat ze buiten Groningen om de zee konden bereiken.

Het Groninger stapelrecht kwam ten einde met de Franse Revolutie. Maar de trek naar Groningen was al zo bepaald, dat deze bleef bestaan.

Ook zorgde Groningen ervoor dat de riviertjes en diepen met de stad werden verbonden. Als eerste het Schuitendiep, waardoor de Hunze met Groningen werd verbonden. De verbinding was noodzakelijk omdat de turfvaart zich uitbreidde. Dit was omstreeks 1400. De Aa en de Hunze gingen na Groningen verder als Reitdiep naar Lauwerszee. Toen werd het Damsterdiep met de stad verbonden, want tot dusver lag deze maar tot Ten Post.

Dus waren er twee verbindingen met de zee.

Oorspronkelijk werd het Damsterdiep gevormd door de Fivel en de Delf.

In 1601 liet het stadsbestuur het Damsterdiep verbreden om ook Hollandse schippers naar Groningen te laten komen.

In de 17e eeuw werd de vaarweg naar Friesland verbeterd, door Stad en Staten. Het Kolonelsdiep was in de 80-jarige oorlog al gegraven voor vervoer van troepen. Daar werden nu kanaalvakken bij gegraven en zo ontstond het Hoendiep. In de loop der eeuwen was ten noorden van de stad het Boterdiep ontstaan. In de 17e eeuw werd het met de stad verbonden.

En dan nog de kanalen in het zuidoosten, waaronder het Winschoterdiep. Deze werd vooral ten gunste van de vervening en de turfvaart gegraven. En ook daarbij speelde Stad een hoofdrol.

Winschoterdiep te Zuidbroek 1910

De turfvaart is de oudste vorm van binnenvaart in de provincie Groningen.

In 1250 kregen de Cisterciënzer broeders van Aduard toestemming van de bisschop van Utrecht om turf te vervoeren door Groningen. De monniken lieten de turf steken in de venen onder Kropswolde en Foxhol, waar een natuurlijke waterweg was door de Hunze, Foxholstermeer en Zuidlaardermeer naar Groningen, en in het Gorecht.

De bevolking was vóór 1400 ook al aan het turfsteken, maar dit was ongeorganiseerd en meest voor eigen gebruik. Ze trokken gewoon het veen in, zochten een plekje en staken turf.

In de 17e eeuw werd er meer systematisch verveend. Dat moest ook wel, want de vraag werd steeds groter. Niet alleen huishoudens gebruikten turf voor koken en in de kachel, ook de industrie in de provincie ging turf vragen voor verwarming van b.v. kalkovens, steen- en pannenbakkerijen en in de Stad voor het gebruik in bierbrouwerijen en ambachten.

Schuitendiep waar de turf aankomt voor de bierbrouwerij op de achtergrond. De tonnen bier staan op de kade te wachten voor vervoer

Hout werd schaars en baksteen was minder brandgevaarlijk. Wie een beetje geld had liet een Steenhuis bouwen. En van lieverlee kwamen de stenen huizen steeds meer.

Er kwamen Veenderijen en later Compagnieën.

De stad Groningen erkende het bruine goud al vrij vroeg en door hun turfstapel (stapelrecht) hadden zij van begin af aan deze brandstof binnen de poorten. Goede vaarwegen waren daarvoor een eerste vereiste, De natuurlijke vaarweg, de Hunze, was direct voor handen. Maar toen de vervening werd uitgebreid, kwamen er in de verder gelegen gebieden kanalen en trekpaden om het veengebied toegankelijk te maken en de turf te kunnen vervoeren.

In 1403 werd het Schuitenschuiversgilde of Snabbevaardersgilde opgericht in Groningen. Hun leden kwamen uit de binnenvaart. Bij de oprichting van het gilde riep men direct een “gemeene bus” in het leven. In deze bus betaalden de leden een van tevoren vastgestelde premie. De opbrengst was bestemd om gildenbroeders en hun gezin te helpen in tijden van nood als gevolg van verlies of schade van het schip. Verder regelde het de betrekkingen van de schippers onderling en met derden. Zij stelde vrachtprijs, arbeidsvoorwaarden en beurtrollen vast en sprak recht op het gebied van dit beroep. De leden hadden bepaalde privileges.

De Gilden verdwenen bijna allemaal tijdens de Franse overheersing.

De vraag naar landkaarten was groot, vooral in de veengebieden waar men het vaak oneens was over de juiste grenzen. Bij het ontbreken van natuurlijke obstakels was het moeilijk bepalen waar het recht van de één begon en van de ander eindigde.

Bijvoorbeeld tussen Meeden en de veenderijen van Pekela. De Meedener boeren gingen op een dag met hooivorken, dorsvlegels en schoppen de arbeiders van Clock te lijf. Clock overwon. De volgende morgen moesten de vrouwen van Meeden persoonlijk bij Clock smeken om hun gevangen genomen mannen weer vrij te laten.

Ook de provinciegrens tussen Groningen en Drenthe gaf nogal wat problemen.

De burgemeesters van Stad vonden dat geharrewar tussen Groninger en Drentse boeren maar niks en stelden kaartenmaker Jan Sems ( 1572-1635) aan om de grens tussen deze 2 provinciën te bepalen.

Jan Sems was ingenieur en had al eerder de Deense koning geadviseerd.

Met behulp van vuren in de nacht trok hij een lijn van de Martinitoren, dwars door het Zuidlaardermeer naar Wolfsbarge, naar Huize ter Haar onder Ter Apel. Er was weerstand tegen deze grens, vooral toen Groningen vanuit het Stadskanaal monden aanlegde en vanuit Drenthe turf afvoerde, en het voor de Drenten onmogelijk maakte, door hoge doorvaartgelden, om hun turf te vervoeren. De geschillen waren zodanig dat Koning Willem I zich ermee ging bemoeien. Met koninklijk besluit werd de grens, de afvoer en de tarieven geregeld.

Maar over de oudste veenkolonie van dit gebied, zelfs van ons land, had Stad echter niets te zeggen. En dat was Leek.

In Midwolde woonde het geslacht Ewsum, eigenaar van de Vredewoldse en Hauler venen. Samen met het geslacht Burmania uit Friesland en andere geldbronnen werd er een Compagnie opgericht. Maar door de 80-jarige oorlog, ruzie over de bedrijfsvoering en uitblijvende winsten, ging ze weer failliet. Groningen probeerde dit veengebied te kopen, maar dat mislukte, want kleine meiers ( pachters) gingen aan de slag op kleinere percelen. En zo ontstonden de huidige versnipperde gebiedjes van Leek en Zevenhuizen.

Na de 80-jarige oorlog hadden de Noord-Nederlanders zich losgemaakt van het katholicisme en kwamen de kloosters echt ten val. Groningen vond dat hun goederen en rechten aan haar toekwamen. En vanaf die tijd barstten de ruzies tussen Groningen, boeren en Jonkers los.

Eerst verwierf de Stad dichtbij in het Gorecht een veengebied. De venen van het Klooster te Essen. En de veenkolonie Kropswolde van het klooster te Aduard. Omdat het vervoer van turf bijna uitsluitend via het water plaatsvond werd begonnen een kanaal te graven (Heerendiep) dat het Duivelsmeer of te wel het Sapmeer drooglegde in 1617. Op deze plek ontstond bewoning; Sappemeer.

De turf werd via het Foxholstermeer en de Hunze naar Groningen vervoerd, In 1635 kwam de verbinding bij Waterhuizen tot stand, wat korter was.

Vijf Utrechtse heren, onder wie de burgemeester van Rhenen, hadden in 1604 kloostergronden ten zuidoosten van de Stad gepacht en stichtten de Reensche of Utrechtse Compagnie, maar ze hadden onderschat hoeveel geld het moest kosten en gingen failliet in 1613. De Stad nam de veenderij over.

Door het krijgen van rechten op woeste gronden strekte het gebied van Groningen zich uit van Foxhol, naar Muntendam en naar de Drentse grens.

De Friesche of Pekelder Compagnie was al in 1599 ontstaan, doordat een aantal Friese en Hollandse boeren venen kochten aan de Pekel-Aa en deze gingen afgraven. In 1601 trad Pieter Jansz Clock in deze Compagnie. Hij zorgde ervoor dat het stroompje bevaarbaar werd en hij begon een turfgraverij. Zijn kleinzoon Feico Allesz Clock ging hier mee door en had wel 500 mensen aan het werk. De arbeiders die zich blijvend wilden vestigen konden een strook afgegraven veen krijgen langs het kanaal, De Kamers genoemd, en zo ontstond de veenkolonie Oude Pekela. De turf uit dit gebied werd vervoerd over de Pekel Aa naar de Dollard en naar het buitenland, meest Hamburg en Bremen. Handel buiten de Stad om.

De Pekelder Compagnie kwam uiteindelijk ook in handen van Groningen. Volgens sommige geschiedschrijvers verbood de Stad de afvoer van turf uit De Pekela. Dat kon omdat vanuit het Pekelder diep op Groninger kanalen gevaren moest worden. Clock raakte zo in financiële moeilijkheden en moest geld lenen: Van de Stad. Hij verkocht een deel van zijn veengebied aan de Stad, raakte nog dieper in de ellende en ging in 1656 als schuldenaar dood en de Stad werd eigenaresse van de Pekelder Compagnie.

De derde Compagnie was de Ommelander Compagnie in het zuidoostelijk veengebied. Deze Compagnie groef in 1637 het Muntendammerdiep waardoor venen bij Muntendam en Zuidbroek afgegraven konden worden. Doordat het kanaal werd verlengd in zuidelijke richting konden de veenkoloniën Veendam en Wildervank ontstaan. Het kanaal de Ommelanderwijk werd gegraven. Zo konden de venen van Meeden worden afgegraven. De Ommelander Compagnie bleef zelfstandig, maar was wel aangewezen op het kanalenstelsel van Stad. Ook de kleinere Compagnieën waren daarvan afhankelijk. Zoals Kielster Compagnie, Trips Compagnie, Borger Compagnie ( met vervener Adriaan Geerts Wildervanck), de Friese- of Kalkwijk Compagnie en de Nieuwe Friese- of Lula en Windeweer Compagnie.

Bij Muntendam had Stad venen gekocht en in 1637 wilde het stadsbestuur beginnen met het graven van een kanaal, richting Zuidbroek. Maar de verhouding met de Stad was inmiddels heel slecht en de Oldambsters gingen saboteren. Verlaten werden vernield, dijken doorgestoken en de drost (Uiterburen) werd verjaagd. De Ommelander Heren wilden niet meer vergaderen in de Stad en bemiddeling door raadspensionaris Johan de Witt hielp niet.

het Ommelanderhuis aan de Schoolstraat in Groningen, waar de Ommelander Staten vergaderden. Naar een aquarel uit 1786

De Stad kon niets anders doen dan zich een poosje rustig houden. In die tijd zagen anderen hun kans. Een groep Friezen stichtten in 1647 de Borgercompagnie. Een jaar later begon dhr.Trip met de vervening van Tripscompagnie. Nog een jaar later kocht een groep Ommelander Heren venen van het kerspel Meeden; de Ommelander Compagnie. Zij lieten de Ommelanderwijk graven. Maar met een dam op de plaats waar deze wijk in het Pekelder Diep zou uitkomen. De turfafvoer kon dus niet buiten de Stad om plaatsvinden.

De Ommelander Heren bouwden het Ommelander Huis, waar ze vergaderden en waar nu het centrum van Veendam is. “Veenlust”.

Zo ontstond Veendam. Het heette eerst Boven-Muntendam.

Men ziet Adriaan Geerts als stichter van Veendam en Wildervank. Hij is als smidszoon in 1605 geboren in de Oude Ebbingestraat in Groningen. Hij kocht in 1647 met enkele anderen een groot deel Muntendammer venen. De oostzijde van de latere gemeente Wildervank. En richtte de Muntendammer Compagnie op. Hij zou als stroman van de Stad opgetreden kunnen zijn, want het contract dat hij sloot met de eigenaren van het kerspel Zuidbroek was gelijk aan de “Conditiën” van de Stad en de herkomst van zijn kapitaal is niet te achterhalen.

Adriaan Geerts noemde zichzelf Wildervanck, nadat hij het “wilde wonen” in de Pekela vaarwel zei en zich vestigde in het latere Wildervanck.

Zijn bijnaam was “de Paap” omdat hij een vroom man was. Adriaan was trots op deze bijnaam.

De Drenten vonden dat Adriaan Geerts met zijn kanaal te dicht bij de Drentse grens kwam. De Semslinie was nog altijd niet officieel ingesteld en zowel de Drenten als de Groningers hadden een andere grens in gedachten.

Op een nacht kwam het tot een gevecht. Volgens het ene verhaal werd A.Geerts gevangen genomen in de toren van Rolde (toen de hoofdstad van Drenthe). Volgens het andere verhaal verloren de Drenten.

A.Geerts wilde alleen maar een kanaal dwars door de venen tot aan Munster in Duitsland graven. Hij diende het idee, en de vraag om financiële hulp, in bij de Stad. Honderd jaar later nam Stad het plan zelf in uitvoering. A.G. stierf in 1661 met grote schulden en werd bijgezet in zijn eigen gestichte kerk te Wildervank. Het graf is echter spoorloos verdwenen. In de huidige kerk is nog een nieuwe gedenksteen aan de muur te zien.

In die zogenaamde rustige tijd van Groningen deden stromannen het werk. Via hen kocht de Stad veengebieden en haar bezit werd zo steeds groter. Én men kwam in de buurt van de Drentse venen, wat misschien nieuwe mogelijkheden gaf.

Dus was Stad toe aan een nieuw kanaal en het Stadskanaal werd gegraven.

De Drentse turf werd voorheen vervoerd over de Hunze richting Groningen. Maar Groningen vroeg hoge tolheffing op deze Drentse turf bij de doorvaart, zodat het voor de Drenten niet loonde om nog turf te vervoeren. De schutssluis die zij moesten passeren had ook de toepasselijke naam in de volksmond “vlooiennest”.

Vanuit het Stadskanaal werden monden gegraven het Drentse veen in en zo konden Groningse schippers Drentse turf kopen en vervoeren langs Groningse vaarwegen.

een betalingsbewijs voor doorvaartgeld bij Weerdingemond


het schip werd bijna altijd geladen door vrouwen op een speciale manier,
zodat het schip niet zou kantelen

Groningen trad met list en koopmansgeest op en het ging vaak hardhandig. Dat ondervond ook Oesebrand Johan Rengers, heer van Slochteren, wonende op de Freylemaborg. Hij was mede oprichter van de Ommelander Compagnie. Zij groeven zelf ook kanalen en kregen hiervan doorgangsgelden. Zij gingen dus buiten de Stad om. In 1672 viel Munster ons land binnen. Oesebrand J. Rengers werd beschuldigd van heulen met de vijand en jarenlang gevangen gezet.

Stad groef zijn kanalen om die van de Ommelander Compagnie.

Flinke investeringen deed Groningen in het graven van de kanalen.

In 1612 begon Groningen met een kanaal van Foxhol richting Zuidbroek, het Heerendiep en deze had aansluiting op de Hunze. Deze hoofdvaart lag door het drooggelegde Sapmeer en bereikte Zuidbroek in 1628. Toen werd verder gegraven naar Winschoten (1635). Vanaf die tijd werd het het Winschoterdiep genoemd.

Winschoten stond door de rivier de Rensel in verbinding met het al gegraven Pekelder Hoofddiep.

In 1637 werd het Muntendammerdiep gegraven en in 1647 werd hierop het Ooster- en Westerdiep aangesloten. Alle hoofdkanalen waren nu op elkaar aangesloten.

In 1765 werd het Stadskanaal gegraven. Voor rekening van de Stad werden er ook een 12-tal huizen gebouwd. Daar waar nu het eindeloze Stadskanaal ligt.

En Drenthe zag gebeuren dat er monden werden gegraven vanuit het Stadskanaal naar de Drentse venen.

Het Stadskanaal werd doorgegraven tot aan Ter Apel. Het Drentse kanalenstelsel en het Duitse veengebied konden nu worden aangesloten.

Sluis Zuidbroek. Te zien is het sluiswachtershuisje en een schip met zonnescherm

Veen heeft de eigenschap water vast te houden. Door de ontginningen veranderde de waterhuishouding. De vaarten werden ook gegraven om het vrijkomende water via Winschoterdiep Groningen – Reitdiep af te voeren naar zee.

En door het grote hoogte verschil tussen de veengebieden aan de hondsrug en Groningen, moesten er talrijke sluizen worden gebouwd, die het weer mogelijk maakten dat schepen konden varen.

De Stad verpachtte vervolgens de veengronden in de vorm van Stadsmeierrechten, uniek in Groningen. Langlopende en erfelijke rechten voor de pachters, lage lasten en 25 jaar vrij van belasting. Pas in 1970 is het laatste meierrecht met veel juridische toestanden verdwenen. De Stad heeft er zeer goed aan verdiend. Onder de pachters waren veel Westfalers ( Duitsland) en mensen met een afwijkend geloof, zoals katholieken, lutheranen en doopsgezinden, die naar dit gebied waren gevlucht, ook veel uit Duitsland.

De veenkoloniën hebben daarom een grote afwisseling aan bevolking vergeleken bij de Ommelanden. Ook verscheidenheid in nijverheid. Terwijl de andere gebieden rondom Groningen overwegend veeteelt had, moest in de Veenkoloniën van alles aanwezig zijn, vooral scheepswerven en rederijen, zeilmakerijen en touwslagerijen. En later de fabrieken voor het verwerken van landbouwproducten als aardappelmeel en strokarton.

De grondverpachtingen werden voor ieder gelijk geregeld vanuit het “Conditiën van Verhuyringhe” uit 1628. Daarin werd bepaald hoe groot de afstanden tussen de wijken moesten zijn, in welk tempo er verveend moest worden, welk deel

( meestal ¼ deel ) voor Stad bestemd was en hoe de pachters hun afgegraven dalgrond moesten “toemaken”.

Om goede landbouwgrond te krijgen liet Groningen bemesten met zijn “stratendrek”. Eerst was dit gratis, maar later moesten de boeren het kopen.

Voerluyden” met een “sterk peerd en een dichte bak” brachten de “vuylenissen” van de stad naar de “drekstecken” buiten de Oosterpoort en de Kranepoort. De Schuitenschuivers brachten het naar het veen om dan met turf weer terug te komen. Hoogezand en Zuidbroek werden centra van mestverkopingen.

Het stadsvuil werd creatief en duurzaam verwerkt, want er werd blijvende bemesting voorgeschreven.

Het Schuitendiep en de Turfsingel in Stad waren de aanlegplaatsen voor de turfschepen van de oostelijke veenkoloniën. De turf werd door de Turfstraat en het Martinikerkhof vervoerd naar de binnenstad. In 1660 werd de turfvaart vrij en langzamerhand namen Friese schippers de turfvaart over.

Lokaal turfvervoer gebeurde meest met bokken of pramen.Dit waren schepen die ± 10 ton konden vervoeren en hadden geen zeilen.

De tasken en de snabben waren grotere tjalk-achtige scheepjes.

De tasken hadden een mast, fok en driehoekig hulpzeil. De mast kon gestreken worden. De snabbe ( de puntige voorsteven heette snabbe of sneb) had midden in een mast en een razeil. Voor en achter een kort dekje.

Toen er meer vraag kwam naar turf en het afzetgebied zich uitbreidde kwam de tjalk.

De tjalk had een vast dek en luiken en een laadvermogen van  40 ton.

Het was nu mogelijk om over de Lauwerszee naar Holland en over de Wadden en Oostzee naar Oost-Friesland en beneden Elbe gebied te varen. De veenkoloniale turfvaart raakte erdoor in een stroomversnelling zo ook de scheepvaart van binnen- naar buitenvaart.

Tegen het eind van de 18e eeuw passeerden jaarlijks meer dan 200 schepen het benedenste Verlaat in de Pekel-Aa.

Het vervoer door de kanalen en diepen was niet eenvoudig. In de Pekel-Aa lag b.v. het overdekte Statenzijl ( sluis) waar je de mast moest strijken. Overal waren schutsluisjes en overtomen, smalle en ondiepe kanalen en een groot aantal stenen bogen in Groningen.

De schepen naar Noord-Duitsland namen meest vracht mee terug. Allerhande koopwaar maar vooral hout voor de scheepsbouw. Op die manier werden turfvaarders ook wel eens vrachtvervoerder. Eerst nog in het Oostfriese Waddengebied en de mondingen van de Elbe en Wezer. Maar al gauw was er vrachtvervoer in heel het Noordzee en Oostzee gebied.

Ook de scheepsbouw moest weer mee om aan de behoefte van grotere schepen te voldoen. Uit de tjalk ontwikkelde zich weer het kofschip, de galjoot en de schoener. Zij worden het gezicht van de veenkoloniale zeevaart.

Meesterverlaat in Ter Apelkanaal 1941. In het midden van de turf is een gleuf uitgespaard om
de mast in te laten zakken. De vrouw staat aan het verlengde
roer.
Hier wordt al gebruik gemaakt van een opduwertje i.p.v. het trekpaard

penningen van de scheepsjagers

Toen de kanalen en diepen werden gegraven werden er ook jaagpaden of trekpaden ( in Zuidbroek nog de Trekweg) naast aangelegd. Deze jaagpaden waren in Groningen goed voor elkaar. Zodanig zelfs, dat het erg lang duurde voordat de stoomboot ( en dan ook nog sporadisch) zijn intrede deed.

Deze paden waren voor de scheepsjager en zijn paard. Als er niet gezeild kon worden kon het schip met paard in de jaag of treklijn voort getrokken worden. Een scheepsjager kon niet anders werken dan dat hij een vergunning had. Dat was een koperen plaatje met nummer voor op zijn borst, uitgereikt door het Provinciale Bestuur. Een waarborg tegen wangedrag, want scheepsjagers vormden een kleurrijk volkje met soms wel drankmisbruik. Ook de paarden waren niet te duur in aanschaf, meestal onhandelbare goedkope paarden van de boer.

scheepsjagers nemen in 1933 even rust bij het Stenenverlaat in Musselkanaal

Scheepsjagers vond je meestal bij sluizen of bruggen om daar een vrachtje op te kunnen pikken. Bij de Bontebrug in Hoogezand kon je meestal zo’n groep vinden. De prijs kwam tot stand met loven en bieden. Kon de schipper geen jager krijgen dan ging hij zelf in de trek- of jaaglijn en stond zijn vrouw aan het roer. Maar vrouwen en kinderen deden dit zware werk ook wel. Héél zwaar bij tegenwind of een beladen schip met weinig water onder de bodem.

Men had daarover een gezegde; “wel zien wief laif het, holt heur veur ogen”. Als er genoeg mensen aan boord waren om mee te helpen, kon er zowel in de lijn gelopen worden als bomen. Dan begon men met de lange boom ( stok) voor aan het schip in de bodem te prikken en liep al duwend over het schip naar de achterkant.

Met verlengd stuur het geladen schip besturen

Vrouw en kinderen in de trekzeel

De Stad beheerste uiteindelijk het turfvervoer

en de passagegelden, gevolgd door het transport van de agrarische producten; aardappelen, aardappelmeel en strokarton. Ook al kon men anders, het koopmansgedrag was op Groningen gericht.

Zo werd Oost-Groningen met Stad één van de eerste industriegebieden van ons land.

Jagerspad Stadskanaal. Er is rekening gehouden met het pad bij het plaatsen van de bomen

Groninger schippers in de monden naar het Drentse veen

Janneke Blaauw-Meijer

Ter verantwoording;

-Groninger scheepvaart en scheepsbouw vanaf 1600: Door; drs. F. Post.
-Veenkoloniale Volksalmanak no. 2 uitgave van het Veenkoloniaal Museum Veendam
-Groningers: Door; Harm van der Veen
-Veenkoloniale Volksalmanak no. 7 uitgave van het Veenkoloniaal Museum Veendam
-Ach lieve tijd, 400 jaar Veenkoloniën m.m.v. Harm van der Veen, Hendrik Hachmer, Jochem Abbes e.a.
-Stad en Lande nr; 3 2007
-Het bruine goud. Kroniek van turfgravers in Nederland: Door Sietse van der Hoek

Foto’s uit;
-Groninger scheepvaart en scheepsbouw vanaf 1600: Door; drs. F. Post.
-Veenkoloniale Volksalmanak no. 2 uitgave van het Veenkoloniaal Museum Veendam
-Groningers: Door; Harm van der Veen
-Ach lieve tijd, 400 jaar Veenkoloniën m.m.v. Harm van der Veen, Hendrik Hachmer, Jochem Abbes e.a.
-Noorden in Woord en Beeld
-www.noordnl.nl
-Nieuw Groninger Woordenboek:  Door; K.ter Laan
-Door den vreemd’ling met eerbied te betreden: Door Sietse van der Hoek.
-eigen beheer

De weg Achter de Wal, plm 1915. Op de achtergrond het gemeentehuis, rechts het kantongerecht.
Bij de opslagplaats, waar nu de dam ligt, een paar turfschepen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: