Gedenksteen Synagoge Uiterburen
Op 28 en 29 mei stonden twee bijzondere momenten van herdenken centraal in de gemeente Midden-Groningen. Burgemeester Erica van Lente onthulde op beide dagen een gedenksteen op de locaties van voormalige synagogen in Zuidbroek en Hoogezand. Met deze stenen blijft de herinnering aan de Joodse gemeenschappen die hier ooit leefden zichtbaar voor huidige en toekomstige generaties.
De eerste onthulling vond plaats op 28 mei in Zuidbroek. Aan de Uiterburen stond tussen 1884 en 1934 een synagoge die jarenlang het middelpunt vormde van het Joodse leven in het dorp. Hoewel het gebouw al lang verdwenen is, leeft de geschiedenis voort in de verhalen van de mensen die er samenkwamen voor gebed, vieringen en belangrijke gebeurtenissen in hun leven.
Tijdens de plechtigheid spraken burgemeester Erica van Lente, Janneke Blaauw namens de Historische Kring Menterwolde en Geert Volders, directeur van Synagoge Groningen. In hun toespraken werd stilgestaan bij het belang van herinneren en het zichtbaar houden van de geschiedenis van de Joodse gemeenschap in de regio.
De nieuwe gedenksteen markeert niet alleen de plaats waar ooit de synagoge stond, maar nodigt ook voorbijgangers uit om stil te staan bij een stukje lokale geschiedenis dat niet vergeten mag worden. Juist nu er steeds minder tastbare herinneringen overblijven, vormen deze gedenkstenen een blijvende herinnering aan de mensen die hier woonden, werkten en deel uitmaakten van de gemeenschap.
Hier volgt de speech van Janneke Blaauw.
Tussen twee prachtige en waardevolle speeches, wil ik vertellen over een klein stukje geschiedenis. De synagoge in al zijn eenvoud, maar zeer gewild. Uit eigen schaarse middelen opgebouwd en eigenlijk het fundamentje waarom we hier nu staan.
Vanaf ongeveer 1760 kwamen in Noord- en Zuidbroek geleidelijk aan meer joden wonen. Zij waren aangewezen op de synagoge te Hoogezand. Lopend een tocht van twee uur heen en twee uur terug. Dat gebeurde alleen op bijzondere dagen. Van joods onderricht aan de kinderen was helemaal geen sprake. Toch moesten de joden van onze dorpen de volle kerkbelasting aan deze Hoogezands joodse gemeenschap betalen. En dat gaf wrevel.
In 1887 woonden er in beide dorpen 87 joden over 15 gezinnen. Genoeg om een eigen minjan te kunnen houden, waar 10 geloofsvolwassen mannen voor nodig zijn. Het idee werd opgevat om een zelfstandige kille te vormen. Een zelfstandige kehilla met synagoge, kerkelijk bad, schoollokaal en begraafplaats.
Daarvoor moest geld komen.
Door de ooit ingestelde regels voor joodse mensen was er voor hen weinig beroepskeuze. De joden in Noord- en Zuidbroek waren slager en venter, handelaren in oude lompen en metalen of herstelden landbouwzakken. Er werd veel ondernomen om de synagoge te kunnen realiseren. Waaronder collectes, ook buiten eigen gemeente. De gemeente Zuidbroek werd gevraagd of zij grond wilden geven. Het was niet zo’n gekke vraag, want het stadsbestuur van Groningen deed dit wel eens in de veenkoloniën. Maar Zuidbroek deed dit niet. Direct na de afwijzing kochten de broers Simon en Mozes Wolf grond in het Veen voor een begraafplaats. De vergunning en het gereedmaken van deze plek zou nog vier jaar duren. Want eerst werd alle energie gegeven aan de synagoge. Een jaar na de afwijzing, 1883, kochten Izaäk van der Laan en Mozes Wolf een stuk grond aan de Uiterburen in eeuwig durende erfpacht. De helft van een kadastraal nummer. Voor f 300,–. In dezelfde week werd de bouw aanbesteed. Een jaar later waren synagoge en chazzenhuis klaar. Omdat men nog geen officiële Israëlitische gemeente was, werd het chazzenhuis eerst verhuurd. Aan Nathan Hausmann, die hier een paar jaar slager was. Later woonde de bode van de kille hier. De leraren, chazzen, waren meest vrijgezel en woonden in bij Mozes Wolf.
Het Chazzenhuis stond voor aan de weg, Uiterburen 54. Vrijstaand erachter stond een kleine synagoge met bad, van vijf bij tien meter, met drie glas in lood ramen in beide lange muren. Het interieur had de kleuren rood, geel en goud. In hetzelfde jaar werd de joodse gemeente officieel erkend als Nederlands-Israëlitische gemeente Noord- en Zuidbroek. Voor het onderhoud van synagoge en joodse gemeente werd een hypotheek afgesloten.
Er moest een huishoudelijk reglement komen, waar men in 1889 pas mee bezig ging. Want voor de Broekster kooplieden en slagers viel dat niet mee. Ze kregen het eerste ingeleverde reglement terug met bijna alleen maar doorhalingen en strepen. Een jaar later werd het reglement oogluikend goedgekeurd.
De joodse inwoners van Midwolda en Nieuwolda behoorden In 1900 ook tot de kehilla Noord- en Zuidbroek. Maar over het algemeen was het onderhoud, de diensten, de leraar en het betalen van de aflossing met rente een grote zorgenbron. In 1912 waren van de 57 leden, 46 on- of minvermogend. Er werden collectes aangevraagd en in 1902 werd een verloting gehouden ten gunste van onderhoud aan de synagoge. De joodse vrouwen hebben veel handwerk verricht om prijsjes voor elkaar te krijgen. In 1913 kon het bad niet worden gerepareerd waardoor ze het niet meer konden gebruiken.


